het onveranderlijke

Wat zou het onveranderlijke in je zijn? Dat wat in ieder leven hetzelfde zou zijn gebleven, ongeacht het verdere verloop daarvan?*

Na de geboorte wordt men beïnvloed door omgeving, ouders, vrienden, overtuigingen, aangeleerd gedrag, afgeleerd gedrag, gebeurtenissen en allerlei toevalligheden. Maar wat zou ondanks al de verschillende wegen die men kan nemen, vertakkingen die er zijn, nu alsnog een deel van je zijn? Wat als je een andere kleur ogen zou hebben of andere ouders of in een ander land was geboren? Wat is de kern, wat is in je ziel voor altijd bij en met je, ongeacht welke pad je bewandelt en welke mensen in je omgeving zijn?

Wat is het onveranderlijke in mij?

Wellicht de liefde voor natuur is het onveranderlijke in mij? Niet echt zeker te zeggen, want als ik in een stad was geboren, dan weet ik niet of de natuur net zo’n invloed op me zou hebben zoals nu. Zelfs in dit leven is de natuur pas na mijn twintigste meer gaan betekenen dan voorheen. Of misschien is het onveranderlijke in mij dat ik eerst een luisteraar ben en daarna een verteller? Ook dat voelt niet als een zekerheid en als het onveranderlijke in mij. Als ik op een andere school had gezeten met andere vrienden, als ik niet als taxi-chauffeur had gewerkt of als ik andere (of geen) reizen had gemaakt, dan waren ontmoetingen en daarbij behorende luistervaardigheden wellicht niet zo ontwikkeld zoals ze nu zijn.

Het onveranderlijke in mij, met mij en bij mij is de dood. Ik kom op geen ander antwoord uit.

De dood is. Het leven is. Al het andere is juist het veranderlijke. Continue. Nothing is permanent except change schreef Heraclitus. Ik, men, de natuur alles groeit, bloeit en sterft. Meestal is dat geruststellend, dat verandering altijd is, vooral bij het minder leuke dat men meemaakt in een leven. Een verdriet blijft bij mij en daarnaast ga ik (en het leven) op een bepaald moment ook weer een soort van door. Het is, ik voel en dan ergens komt er weer een golf en stroom van een andere beweging. Het willen behouden van een fijn gevoel is waar soms het (krampachtige) vasthouden ontstaat. Het oneindig fijn willen voelen, het niet willen verliezen. Het fijne en blije is net zo onderhevig aan verandering als het verdrietige. Net zoals de dood en het leven.

*Uit het boek: Het einde van de eenzaamheid – Benedict Wells

mijn leescafé

Even de theezakjes bijvullen, even de koffiebonen malen voor morgenvroeg, even de rand van de wasbak met een doekje afdoen, even de afzuigkap afstoffen, even de gevallen pennen van de grond oprapen, even mijn drie truien ontpillen met de supersonische ontpiller, even nog een kopje thee drinken, even de ene plant water geven en even de andere kant van de bladeren licht geven, even van dat alles. En even niet.

In een onrustig gevoel van mezelf letterlijk elke paar seconden verplaatsen op mijn beschikbare 25m² kwam een moment van even stilstaan op dezelfde plek. Ik stelde mezelf de vraag: wat wil ik? Het antwoord kwam meteen. Ik wil kunnen zitten en een boek lezen.

Ik heb nog niet een plek buiten de deur gevonden waar ik tot die rust kan komen om pagina na pagina om te slaan. Dus ik dacht, ik ga kijken of een plek (een gevoel) wat in de buurt komt, hier en even voor nu gecreëerd kan worden. Bij mij, in mij. Dus ik begon mezelf en voorwerpen om mij heen te verplaatsen naar de voor mij meest aangename positie. De stoel met het fijne, gele (blije) kussen voor mijn rug. De stoel richting de ramen en met uitzicht op de de herfstbomen en veranderende lucht met wolken en dwarrelende blaadjes. Kaarsje aan, lichte jazz muziek op de achtergrond, raam open voor de frisse lucht. Laptop uit het zicht. Telefoon niet te ver weg. Flesje water en een dampende kop rooibosthee binnen handbereik. Met het boek wachtend op het tafeltje voor me, aanschouw ik mijn creatie. Mijn leescafé. Ja, dit beeld is helpend.

Ik ga zitten.

Het vergt een aantal pogingen. De woorden zijn prachtig. Soms poëtisch ingewikkeld. Het geheel vinden in de losse woorden die een verhaal vertellen, gaat niet vanzelf. Toch even dit opzoeken, wat betekent dat woord en de muziek staat net te hard. Ik sta op, zet de waterkoker nog een keer aan, poets de deurklink, maak nog een kop thee en ik ga weer zitten.

Het knisperende kaarsje laat van zich horen, de vuilniswagen die voorbij dendert laat mijn huisje trillen en de vogels die fluitend door de regen vliegen, lijken mij op te merken. Ik lees nogmaals de eerste zin van een nieuw hoofdstuk.

Ik oefen. Continue. In het vinden van een comfortabele zijn. Vandaag even, in een bewuste poging, hoefde ik niet alle woorden van het verhaal te onthouden.

en leerde dat terugkeren van de dood niet helemaal hetzelfde is als terugkeren naar het leven.*

* uit het boek van Sarah Winman: Het laatste jaar van Marvellous Ways

dit zijn de dagen

Dagen om te fietsen. Lichte oktober zonnestralen op mijn gezicht te voelen, met één hand aan het stuur en met de andere uitgestoken hand de wind onder mijn handpalm voelen. Het laat me glimlachen en naast vragen en twijfels in mijn hoofd brengt het een moment van nu.

Het zijn de dagen om na een regenbui in het bos te wandelen. De regendruppels die van de hoogste bomen, takken en bladeren helemaal naar beneden vallen tot op het groene mos. Ik zag voor mij een roodborstje op het wandelpad zitten, daar weer voor twee wandelaars die even stil stonden en daar weer voor twee reeën met hun witte achterkant, die kalm en lichtelijk verbaasd om zich heen keken. Hoe zijn we hier beland?

De dagen dat de vogels weer hoorbaar fluiten en voor mijn raam verschijnen. De koolmezen, pimpelmezen, vinken, merels en roodborstjes laten zich zien en horen. De kleuren van de bladeren aan de boom veranderen van het heldere groen naar het zachte roodbruine. De ene dag vallen ze dwarrelend, gedragen door een bries. De andere dag bewegen ze zich woest zigzaggend door de lucht, omdat de najaarswind van zich wil laten horen. Alles bij elkaar wordt er een pad gevormd van gevallen bladeren waar ik overheen kan lopen. Soms is het glad en soms knispert het.

Een eerste dag van een nieuwe periode in het jaar dat het hout weer kan branden in de kachel. Waarbij het oefenen is om de aangename temperatuur te creëren, zonder acht aanmaakblokjes te gebruiken. De ochtenden waar ik in het donker licht kan creëren met een kaarsje.

Een seizoen om drempels over te gaan en om op onbekende stoelen een boek te lezen. Dus daar zat ik op een nieuwe plek, in een soort van café restaurant waar het leeg genoeg oogde. Ik waardeerde de keuze uit verschillende soorten theedoosjes en het maakte me blij. Ik las vervolgens de eerste pagina’s van een tot op heden ongelezen boek. Om de zoveel seconden werd het geroezemoes om me heen luider en in plaats van het verhaal te lezen, hoorde ik de verhalen die hardop werden gedeeld. Ik zat erbij en luisterde er naar. Wil ik weg? Blijf wachten, want het komt.* Vervolgens verplaatste ik me naar een buitenstoel. Een open serre en de regen die tikkend viel op het glazen dak boven mij. Waar ik met jas aan en twee sjaals om nog wat meer pagina’s las. Het verhaal speelt zich af in Engeland, ergens aan de kust en ergens rond 1947. Het leest alsof het verhaal niet gebonden is aan een tijd.

Het zijn de dagen dat ik de wind onder de palm van mijn hand wil voelen.

* uit het boek van Sarah Winman: Het laatste jaar van Marvellous Ways