wervelend

Nacht en dag. Het was vroeg vanochtend. Drie uur vroeg. Even uit bed. Kopje thee, serie kijken, nog een kopje thee, toiletbezoek en nog even proberen te slapen. Het lukte niet. Hoe laat is de zonsopgang? Zeven uur vierentwintig. Aangekleed en voor zeven uur aan de wandel. 

Ook hier fluiten de vogels. De meeuwen schreeuwen nog steeds. Tractoren die al vroeg beginnen met het verplaatsen van zandhopen. 

Prachtig blauw, donker en dreigende wolken. Wolken met regen. Het kan de pret niet drukken. 

Onderweg terug, haal ik verse broodjes bij de supermarkt om uiteindelijk in de studio meer kopjes thee te drinken en een broodje met kaas te eten. Uiteindelijk wil ik slapen. Ik slaap tot de zon zichtbaar is door mijn dakraam. 

De zon is er blijkbaar tot rond half vier. Nu in de actie dan. Binnen twintig minuten sta ik weer buiten. Al lopend verandert het wolkendek constant. Na wat struinen door het mulle zand vind ik een stoel waar ik op kan zitten, de zon kan voelen en de zee kan zien. 

Het geluid van de golven is onmiskenbaar. Vele rollende golven door de grote schepen die voorbijvaren en de wind die duwt en stuwt. Binnen tien minuten zie en voel ik de zon, de wolken, de wind en het schuim van de zee. 

Dankjewel zon. 

De balans verandert spoedig. Meer wolken dan zon. Witte wolken worden donkere wolken. De zon is niet meer zichtbaar en voelbaar. De twee sjaals gaan weer om en de eerste spetters vallen vroeger dan verwacht. 

Weer terug naar de studio. Mijn schoenen vol met zand van het strand. Mijn krullen weer nat van de miezerregen waar ik net niet aan kon ontkomen. 

Vers kopje thee en benen omhoog. Een poging om in woorden te vatten wat voor dag het is. 

Het is nooit één hele dag een fantastische, geweldige dag. Dagen hebben mooie momenten gecombineerd met alledaagse dingen, ingewikkelde dingen en gaan samen met vlagen van onsamenhangendheid. 

Het regent, de wind waait en de zon schijnt. 

wat ik zie

De vlinder, zachtjes vliegend en stotend tegen het raam. Ze blijft fladderen, mijn aandacht zoekend. Ik mag dichterbij komen. Ik sta voorzichtig op en bestudeer haar vleugels. Ze blijft zitten waar ze zit. Ik kijk over haar heen, mijn neus drukkend tegen het raam om zeker te weten wat ik zie. Donkerbruin, oranje, rood, ogen die me lijken aan te kijken. Een dagpauwoog. 

Een nieuw begin. Ze zit. Vleugels tegen elkaar, hoog omhoog en haar voelsprieten zoekend naar haar grenzen, waar ze zit op het kozijn, waar ze is en waar het raam zit. Ze neemt haar tijd. Of ze is de weg kwijt, verward? Of ze vindt het fijn om dichtbij het raam, bij mij, te zitten. 

Ik heb geen haast. Ik verbaas me wederom om de zachtheid en het vertrouwen om zo dichtbij mij te komen. Of het nu bewust is of niet wetend waar ze anders even kan zitten, ik ben blij dat ze me haar schoonheid laat zien. 

Eerder op de dag, in de ochtend, was er een koolmeesje. Druk en vliegend tegen mijn raam aan met de snavel pikkend. ´Kijk, ik ben hier, zie mij!´ Alsof die wilde vertellen, het voer is op en ik heb honger en jij bent degene die voor voer zorgt. Oké, wat jij wil. Ik heb nog liggen, ik hang het erbij. Ik hoor en zie je, ik luister naar je en ja ik heb voer voor je. Maar ja, het wordt lente, je kan en mag weer voor je eigen voer gaan zorgen. Maar hoe doe ik dat, hoe doen zij dat, als ze de afgelopen maanden afhankelijk zijn geworden van het voer dat ik ze geef? 

Geduld, leven met een ritme van langzaamaan. Er is eten. Het is even zoeken en toch is het er. Ik kan geven, ja, dat doe ik. Ja, er is voer. 

Het lieveheersbeestje dat er opeens is, aan de binnenkant van het raam, op mijn vensterbank. Stilzittend, niet bewegend. Ik gun haar de vrijheid. Niet het raam waar ze niet doorheen kan vliegen. Ik probeer haar op te pakken. Mijn vingers te onhandig voor haar fragile lijf. Uit angst slaat ze haar doorzichtige vleugels uit, maar ze vliegt niet weg. Binnen of buiten? Ze heeft een weg naar binnen gevonden, maar buiten zijn de groene blaadjes om van te eten. Ik pak je voorzichtig op en ik zet je buiten neer op die ene groene struik met blaadjes waar je volgens mij van houdt. Ik zie je en ik doe ook maar wat. Binnen kan het niet zijn wat je zoekt. Ik gun je het buitenleven. De ruimte en zoektocht naar al wat je mag ontdekken. 

De hommel hommelt, buzzt die, zoemt ie? Hij had een weg naar binnen gevonden ondanks dichte deur en horren voor de ramen die open stonden. Intens geluid maakte hij, even was hij stil en dan begon hij weer. Het duurde wat voordat ik hem spotte tegen het hoge plafond aan. Ietwat onzeker hoe ik hem naar buiten kon krijgen, zonder dat hij boos zou worden. Deur wagenwijd open met het risico dat er anderen binnen komen. Hij vond zijn weg snel.

Alsof ik soms communiceer met de dieren. Het klinkt raar. Ik ben bij zinnen. Ik weet dat ik raar klink en toch lijkt het soms alsof ik een communicatielijn met ze heb. Het is Henk, de duif. In de ochtend, roe-koe-koe. Sjokkend op de houten verandabalk boven mij, op mij neerkijkend en toch even gedag komen zeggen. Koolmeesjes, pimpelmeesjes, mussen, roodborstjes, vinken en nog een nader te identificeren iets-bruinere-gespikkelde-vogel-groter-dan-een-mus. Ze zijn er allemaal. 

Met de vroege ochtendzon start het fluiten en tsjirpen al rond half zes. Als ik even ga zitten om het allemaal te aanschouwen komen ze allemaal voorbij. Of het dezelfde vogels zijn, elke dag? Geen idee. Ze zijn er. Ik kijk er graag naar.  

wat ik zag

Fier zittend.
Gestrekte benen
over elkaar gelegen.

Spiedend zoekend.
Halfgesloten oogleden,
missend medeleven.

Stug pratend.
Tomeloze klanken,
verwaarloosd bedanken.

Misleidend kijken.
Verkrampte handen,
opgehoopte misverstanden.

Halsreikend hopend.
Terneergeslagen knieën,
verloren ideologieën.

– 2014 CF

Ook deze woorden van toen, herken ik nu. Ook al kijk en beleef ik de wereld niet meer op deze manier. Het was ooit wel wat ik zag.

Het brengt me terug naar een moment in de trein en dat ik mensen zag en me afvroeg: hoe gaat het met die persoon? Wat voelt hij? Hoe kijkt zij? In welke wereld leven zij? Hebben ze plezier? Is het de lach die ik zie, of het verdriet dat is verborgen?

Aan de buitenkant is niet te zien wat er van binnen gebeurt. De mens, ik, kunnen geoefend raken in de buiten- en binnenkant van elkaar te scheiden. Het voelt beschermend om niet iedereen toe te laten aan de binnenkant. Het voelt als een controle. Als het zichtbaar is, ben ik kwetsbaar. Iemand anders kan mijn kwetsen en dat wil ik niet, dus bescherm ik.

De buitenkant is zichtbaar en onontkoombaar voor iedereen die kijkt.

Door de binnenkant te beschermen, voor mezelf te houden, is er ook geen ruimte om te kunnen verbinden met de omgeving. Het doet namelijk ook iets als de binnenkant wel zichtbaar wordt aan de buitenkant. Herkenning, nog meer liefde om te geven en te ontvangen. Het heeft voor mij te maken met het oefenen, aftasten en vertrouwen opbouwen. Vertrouwen in mezelf, vertrouwen op anderen.

Ik heb vandaag weer een leuke hond mogen aaien. Die had prachtige bruine ogen en keek me recht aan. Ik zag geduld en nieuwsgierigheid in zijn ogen of was het de weerspiegeling? Het is een oefening.