Fier zittend.
Gestrekte benen
over elkaar gelegen.
Spiedend zoekend.
Halfgesloten oogleden,
missend medeleven.
Stug pratend.
Tomeloze klanken,
verwaarloosd bedanken.
Misleidend kijken.
Verkrampte handen,
opgehoopte misverstanden.
Halsreikend hopend.
Terneergeslagen knieën,
verloren ideologieën.
– 2014 CF
Ook deze woorden van toen, herken ik nu. Ook al kijk en beleef ik de wereld niet meer op deze manier. Het was ooit wel wat ik zag.
Het brengt me terug naar een moment in de trein en dat ik mensen zag en me afvroeg: hoe gaat het met die persoon? Wat voelt hij? Hoe kijkt zij? In welke wereld leven zij? Hebben ze plezier? Is het de lach die ik zie, of het verdriet dat is verborgen?
Aan de buitenkant is niet te zien wat er van binnen gebeurt. De mens, ik, kunnen geoefend raken in de buiten- en binnenkant van elkaar te scheiden. Het voelt beschermend om niet iedereen toe te laten aan de binnenkant. Het voelt als een controle. Als het zichtbaar is, ben ik kwetsbaar. Iemand anders kan mijn kwetsen en dat wil ik niet, dus bescherm ik.
De buitenkant is zichtbaar en onontkoombaar voor iedereen die kijkt.
Door de binnenkant te beschermen, voor mezelf te houden, is er ook geen ruimte om te kunnen verbinden met de omgeving. Het doet namelijk ook iets als de binnenkant wel zichtbaar wordt aan de buitenkant. Herkenning, nog meer liefde om te geven en te ontvangen. Het heeft voor mij te maken met het oefenen, aftasten en vertrouwen opbouwen. Vertrouwen in mezelf, vertrouwen op anderen.
Ik heb vandaag weer een leuke hond mogen aaien. Die had prachtige bruine ogen en keek me recht aan. Ik zag geduld en nieuwsgierigheid in zijn ogen of was het de weerspiegeling? Het is een oefening.