theekopjes in de boom

Als ik later groot ben en ik heb een tuin en eigen boom, dan hang ik er theekopjes in. Dat gevoel.

De dag begon niet fraai. Met een verfomfaaid gezicht. Een onrustige nacht waarin de tijdelijke buurman dacht dat het een goed idee was om om 01.00u ’s nachts te gaan oefenen voor het beroep van DJ. Hij was niet slecht, muziekkeuze met Nelly Furtado was verrassend oké. De timing van midden in de nacht was op zijn zachtst gezegd niet ideaal. Ik zag het licht worden en dat is tegenwoordig al voor 05.00u. Nog niet op mijn klok gekeken, draai ik denk ik wel tien keer van links naar rechts. Als ik uiteindelijk op mijn telefoon kijk voor de tijd, sta ik meteen op, want ik wil ook nog in die stoel buiten zitten voordat het te warm wordt.

Water in mijn gezicht helpt niet. Nog steeds wat verdwaasd drink ik groene thee en schrijf ik de eerste woorden van de dag op. Wat ga ik vandaag verder nog doen? Gisteren heb ik gewandeld. Dat was een prima idee en ook wel prima uitgevoerd, behalve dat ik de hele tijd tijdens het wandelen dacht: ik wil op die stoel onder de boom zitten en lezen. Toen ik uiteindelijk, drie uur later met rode wangen van de inspanning en zon, alsnog onder de boom zat te lezen was het helemaal zoals ik het me had voorgesteld. Ik heb gelezen, gezeten en gekeken naar het uitzicht, de vogels gevolgd tijdens hun vluchten, gepuzzeld, geschreven en mijn avondeten gegeten.

Vandaag is een nieuwe dag. Toch terug naar Ootmarsum, naar dat terras? Even wat rondstruinen voordat er te veel mensen zijn. Er was ook een Openluchtmuseum, misschien daar even doorheen lopen? Soms is teruggaan, teruggang. Soms is teruggaan fijn, omdat ik weet dat het comfortabel voor me zal zijn.

Ik verdiep me nog een klein uur in het boek Het einde van de eenzaamheid voordat ik in actie kom. Het is een boek van Benedict Wells. Het stond al op mijn e-reader. Toevalligerwijs of niet speelt het verhaal zich voor een groot gedeelte in Duitsland af. Geen idee wanneer of hoe ik aan het boek kom. Het gaat over de dood. Het verlies van ouders op jonge leeftijd. De hoofdpersoon, de jongste van drie kinderen, probeert zijn weg te vinden in het leven als hij op 11-jarige leeftijd naar een internaat moet. Een verhaal over verdriet, gemis en verlies net zoals het boek van Jonathan Tropper. Alleen dit is zachter geschreven. Ik lees het zachter. Met prachtige beeldspraak en metaforen. Zinnen en woorden zoals ik ze ook zou willen kunnen opschrijven. Het is verdrietig, ja. Het is tevens zoekend naar de zin van het bestaan en dus herkenbaar. Het zijn zinnen als: die gedachte kwam steeds weer terug, als een in mijn ziel ingeweven vloek (blz.94) Ziel en vloek in dezelfde zin gebruiken, een prachtige tegenstrijdigheid in woorden wat mij betreft. Of: al zijn angsten woonden als ongewenste huurders in mijn hoofd (blz.99).*

Uiteindelijk sta ik op uit de stoel, kleed ik me om, poets ik mijn brilglazen en stop ik mijn tas vol met water, zonnebrand, puzzelboek, e-reader, pen en notitieboekje. De weg terug rijden naar Ootmarsum gaat vlotter dan gedacht, mede doordat een wegafsluiting er nu niet is. Ik parkeer de auto op de reeds bekende plek en ik vind mijn weg snel door de kleine straatjes. Zoveel galerijtjes en creativiteit om te bekijken. Het is te veel merk ik. Elke straathoek heeft wel iets: glasblazen, schilderen met licht, een beeldentuin. Ik vind ansichtkaarten en vervolgens loop ik naar het Openluchtmuseum. Ik word geholpen door een aardige mevrouw en al lopend besef ik binnen vijf minuten, ook dit is te veel informatie voor vandaag. Absoluut geschiedenis om te bewonderen. Ik zie teksten en voorwerpen over textiel weven, oude koetsen en hoge bi’s (zo’n fiets met een groot en klein wiel). Het laatste huisje dat ik binnenloop, ben ik aan het inrichten voor mezelf. Een keuken met een oud fornuis en ronde tafel, vervolgens rechts een bescheiden slaapkamer met een ruimte die overloopt naar een kinderkamer. Ik zou er een bureau neerzetten om te werken, te schrijven. Ik loop terug door de keuken en links daarvan is er nog een ruimte, wellicht voor een bank en televisie. Alles precies groot genoeg. Wellicht een douche en toilet binnen? Dat is het enige dat ik zou veranderen. Onderweg naar buiten zie ik bomen waar theekopjes in hangen.

Lunchtijd. Het is op dezelfde plek. Het is zelfs aan dezelfde tafel. Het kan me niet deren. Onder de parasol in de schaduw en met een fijn groen uitzicht. Een vader met een kalm, onderzoekende peuter zit rechts van mij. Na een tijdje gaan ze en komt er een luidsprekend duo zitten. Ik weet alles van ze nu, behalve hun pincode. Ik drink mijn bitter lemon en eet mijn broodje gezond. Ik schrijf de ansichtkaarten om te versturen, ik lees nog meer hoofdstukken over al de vragen die Jules heeft over de dood en het leven. Ik drink een cafeïnevrije cappuccino en daarna nog één.

Het is tijd om te gaan. Ik wil terug naar de boom en de stoel om in te zitten.

De middag bestaat uit nog meer zinnen lezen, water drinken en mieren van mijn armen en benen afvegen.

Ik denk aan welke theekopjes ik in mijn boom kan hangen.

* Het einde van de eenzaamheid
Benedict Wells
ISBN 978-94-023-0787-0
2016 (e-book versie/ vertaling, 2017)

How to talk to a widower – Jonathan Tropper

Met sarcasme. Humor. Amerikaans. Qua schrijfstijl anders dan anders. Engelse woorden die onbekend zijn, die ik moet opzoeken en gelukkig met de e-book mogelijkheden van nu, snel te vertalen zijn. Het verhaal is bij tijd en wijle bot en grof en met (voor mij te veel) seksuele verwijzingen. De hoofdpersoon heeft zijn vrouw verloren en bevindt zich voor een groot gedeelte in een slachtofferrol en dat erkent ie ook.

Ik heb empathie voor de hoofdpersoon, want hoe raar en krom het ook klinkt, zijn verdrietige en onverklaarbare gedachtes zijn ook herkenbaar. Hij doet en zegt rare dingen. Het lijkt eerlijk geschreven of de lezer het nou wel of niet kan waarderen. De zus van de hoofdpersoon heeft verdriet van een ander verlies. De stiefzoon heeft ook tranen. Zelfs de moeder van de weduwnaar ervaart een verlies. Iedere persoon in het boek, ieder mens in het leven, maakt een verlies mee.

Ooit begon ik met het lezen van dit boek in Augusta, Australië in 2009. In die tijd en tijdens die reis, las ik veel. Ik herinner me dit boek omdat ik het nooit heb kunnen uitlezen, doordat ik het daar kwijtraakte in een openbaar toilet.
Het begon tijdens een bewolkte ochtend in Augusta. Ik had het boek (denk ik) gevonden in het hostel en ik zat op een bankje te lezen. Verwonderd door de woorden die ik las en toch gegrepen door het verhaal. Later op de dag wandelde ik een stukje verder, maakte ik gebruik van een openbaar toilet en ik legde het boek op het toiletrolkastje. Ik zie het nu nog voor me. Ik vraag me af als ik weer in die omgeving zou zijn of ik dan de plek en het toilet weer zou herkennen. Ik had denk ik na een half uur door dat ik mijn boek miste. Ik ben terug gelopen en het boek was al weg.

In die tijd, als ik een boek uit had, schreef ik de titel en de schrijver op de laatste pagina’s van mijn dagboek. Dan had ik na mijn reis een overzicht van alle boeken die ik had gelezen. Ik had dit boek nog niet uit, dus ik had nog niets opgeschreven. De titel was me ontgaan. Het verhaal en de vraag hoe het zou aflopen en de ietwat bizarre humor die ik kon waarderen, zijn bij me gebleven. Een van de weinige boeken waar ik nog wel eens aan dacht, omdat ik het einde wilde weten.

Enkele jaren later zag ik de foto die ik blijkbaar van het boek had gemaakt. Een foto van het uitzicht van het water in Augusta en daarbij bladzijdes van het boek en de titel die zichtbaar zijn. Toentertijd zocht ik online naar het boek en vond ik het, maar ik deed er verder niets mee.
Nu zit ik weer in een fase waarin ik wil lezen, maar wel met een bepaalde zekerheid dat ik het boek leuk vind. Van dit boek wist ik dat ik geïnteresseerd was in het verhaal, dus ik kwam deze week in actie. Ik vond het e-boek via bol.com en ik herkende zelfs de cover. Na wat zoekwerk zag ik ook dat het de schrijver is van het boek: ik rouw van jou. Die titel werd wel eens genoemd tijdens mijn opleiding. Ah, oké. Zo ontstaan cirkels.

Ik ben het nu dus aan het lezen, geen idee nog hoe het afloopt. Ik kan niet zeggen dat ik de zinnen of woorden herinner, maar ik gniffel af en toe. Ik herinner me dat ik toen ook gniffelde, daar op dat bankje in Augusta in Australië in 2009.

How to talk to a widower
Jonathan Tropper
ISBN 9781409136910
2011 (e-book versie, 1e publicatie 2007)

in het kleine

Wat als de dood dichtbij komt? Wat als die opeens voor me staat? Door een plotselinge ziektediagnose of als iemand die me dierbaar is, slecht nieuws krijgt? De wereld, mijn wereld, de wereld van mijn dierbare is dan opeens anders. Anders dan eerst. Anders dan dat het ooit weer zal zijn. Wat zijn dan de vragen die ik mezelf zou stellen? Heb ik ‘goed’ geleefd? Wil ik nog iets doen? Voor mezelf of voor de ander? Wil en kan ik dan nog meebewegen om het leven te verlengen?

Ik bevind me nu niet in zo’n situatie. Toch zijn het vragen die ik mezelf af en toe stel en eventuele antwoorden die daar op volgen, komen zo nu en dan terug in mijn gedachten. Het is gekoppeld aan de vraag: wat wil ik? Wat wil ik nog doen, voelen, ervaren, meemaken in dit leven?

Bij antwoorden op grote vragen over bijvoorbeeld werk en wonen loop ik regelmatig vast. Het is voor mij een kwestie van zoeken, proberen, doen, niet doen en dan weer wat anders doen. Het zijn oneindige wegen om te bewandelen en ik blijf ze lopen.

In het kleine is het voor mij helder en fijn. Het is zichtbaar en voelbaar. Elke keer verrast het me dat ik het subtiele blijf zien en van dichtbij kan beleven.

Ik zit deze ochtend op een bankje in de zon in de Kampina met uitzicht op het Dal van de Beerze. Ik hoor en zie allerlei vogels in de lucht en in de bomen. Van dichtbij en op afstand. De gele en witte vlinders fladderen vrij om me heen. Een kleine, zwarte spin zit naast me op de houten bank. Een mug zoemt om mijn oren en de kever op de aarde is druk bezig om zijn nieuwe weg te vinden, omdat ik zojuist mijn schoen ergens heb neergezet en ie zich noodgedwongen opnieuw moet oriënteren. Ze zijn allemaal klein. Hun wereld, hun thuis, is wellicht niet zover weg van deze bank. De andere kant van hun wereld is wellicht de andere kant van het dal. Het kan lijken op een wereldreis die ze waarschijnlijk nooit gaan maken, afhankelijk van hun levensduur en avontuurlijke zelf. Voor mij is hun wereldreis naar de andere kant van het dal hooguit vijftien minuten lopen. Bij aankomst aan de andere kant van het dal heb ik een ander uitzicht, zij hebben een reis gemaakt en onderweg een grote, nieuwe wereld ontdekt.

Ik heb weinig tot geen overtuigende antwoorden merk ik. De antwoorden die er zijn, zijn er voor een moment. Nieuwe vragen blijven komen. Het is voor mij helpend om te kunnen zien van wat er in een moment is.

Mijn plantje in mijn huisje is een nieuw blaadje aan het groeien. Het viel me vorige week op dat de groei was gestart en elke dag dat ik nu kijk, is er een verschil te zien. En maakt het me blij? Door mijn zorg, kan het plantje groeien. De instructie zei één keer in de week water geven en volgens mij was dat te weinig. Maar ja, dat zei de instructie…Nu geef ik het twee keer per week water. Ik hou niet bij op welke dagen ik water geef. Ik voel de aarde en kijk naar de bladeren om te zien hoe ze ervoor staan.

Komende week begin ik met nieuw werk. Niet veel uren en het is tijdelijk. Er is twijfel en er zijn vragen zonder antwoorden. Wil ik dit? Diep van binnen is het een: nee, dankjewel?

Ik kijk naar de spin die nog steeds naast me zit op de houten bank. Kan een spin zonnen in de zon, verbrandt ie dan?

Rationeel heb ik mijn redenen paraat. Ik kan overtuigend naar mezelf en omgeving verwoorden waarom dit werk een prima keuze is voor nu. Het is iets nieuws om te ontdekken, proberen en maar zien wat het brengt. Het is vaak hoe ik doe en leef. Alhoewel dit allemaal waar is, beland ik in beredeneren, analyseren en duidelijke antwoorden willen vinden op mijn vragen. En die zijn er niet, want ik weet het niet. Totdat ik het doe.

Ik besef dat voor mij de zin, de rust en de ruimte in het leven (onder andere) zit in het zitten in de ochtendzon op dit bankje met een spin naast me die aan het zonnen is. In de verte laat de koekoek van zich horen. Een toom ganzen vliegt over. Een bromvlieg en een ander klein insect landen op mijn trui.

Vanochtend tijdens het fietsen van de bekende route zag ik de vijver met de witte assepoester eenden. Nieuw waren de zes (zeven?) zwarte, donzige en hele kleine eendjes zwemmend in het water. Even verderop stonden drie alerte (edel?) herten in een weiland naar me te kijken. Wie maakt de eerste beweging? In een andere wei zag ik een jong veulen in het groene gras liggen en stond haar moeder dicht bij haar.

Ik kan het niet laten om dit soort taferelen te blijven zien en beschrijven.

Ik zie het leven in de natuur.