gisteren bedacht

In het vooruitkijken zit voorspelbaarheid. Het is niet altijd meteen hoe het ook daadwerkelijk gaat. Denken aan de toekomst (denken aan morgen) brengt een beeld, invulling en verwachting van hoe het kan gaan. Soms besef ik me dat ik niet wil weten hoe het zal of kan gaan. Ik doe en ik ga. 

Gisteravond begon ik vroeg aan mijn avondroutine voor het slapen gaan. Ik dacht aan de zee en hoe lang ik er al niet meer ben geweest. Zal ik morgen op en neer rijden? Even kijken naar de weersvoorspelling. Niet heel veel zon, wellicht wat regen. Ja, dat is dan niet echt fijn. Gaat het daarom? Wil ik zon en blauwe lucht? Nee, niet per se was in gedachte mijn antwoord. Ik wil de wind in mijn gezicht en de zoute geur. De weidse blik en het kijken naar de kabbelende of klotsende golven. De meeuwen die schreeuwend boven mijn hoofd zweven. 

Hoe lang is het rijden naar Zeeland, richting Zoutelande, Domburg? Een uur en drie kwartier. Zeg maar twee uur heen en twee uur terug. Is dat de moeite waard? Wat ga ik de rest van de week doen? Zal ik een overnachting boeken? Ja, dan twee. Wil ik dit wel? Of is dit een gedachte die opeens een plan wordt wat ik eigenlijk niet wil? 

Even voelen, wil ik dit? Ja. Al ben ik maar twee dagen daar en loop ik meerdere keren op de dag even naar de zee. Ja, dat is genoeg. Een kopje thee op een andere plek, een boek en een puzzel. Vroeg slapen. Wellicht wat schrijven. Een andere omgeving. Een frisse wind. 

Ja. 

Nog één studioplekje over met een prachtige prijs en op loopafstand van de zee. Binnen een half uur geregeld. Het pakken van tas en al de praktische dingen schieten door mijn hoofd. Herkenbaar gevoel van overweldigd worden door details. Oké. Stap voor stap. Niet te veel vooruitkijken. Per moment even aan mezelf vragen: wat wil ik, wat heb ik nodig?  

Als ik deze eerste woorden schrijf is het woensdagochtend vroeg. Ik wil het even opschrijven. Kopje thee en kopje koffie. Bed is reeds opgemaakt. Volgende stap, omkleden. 

Ik kijk uit naar de cd’s die ik onderweg kan luisteren. Norah Jones, Kane of John Mayer? Simply Red doet me altijd aan auto rijden in Schotland denken. 

De autoreis gaat voorspoedig. Ik luister drie keer de cd rond van Kane.  
May all of your wishes 
Come true for life 
And all that you wait for 
Be true for life 
All that you long for 
May all of it shine 
Bright as the sunlight  
All I can do – Kane 

Tot slot nog Simply Red (satisfied with a fish on the line / Mellow my mind – Simply Red). Ik kan me niet herinneren dat de weg naar Zeeland vroeger zo druk was. Vrachtwagen na vrachtwagen. Het zonnetje blijft de auto verwarmen.

Als ik arriveer is het een felle zon achter de wolken en mijn ogen knijp ik half dicht. Ik herken de zee. Het oogt kalm. De tractoren zijn bezig zand te verplaatsen voor alle zomerhutten. De strandtent is open om naar het toilet te gaan. Eerst even wandelen dichtbij de golven. Het geluid van de golven klinkt herkenbaar. Het overstemt. Mijn gedachten klinken even verder weg. Er zijn honden waar ik even naar kan glimlachen als zij spelend en kwispelend voorbij zoeven. 

Het voelt fijn. Het voelt vrij. 

wat ik zie

De vlinder, zachtjes vliegend en stotend tegen het raam. Ze blijft fladderen, mijn aandacht zoekend. Ik mag dichterbij komen. Ik sta voorzichtig op en bestudeer haar vleugels. Ze blijft zitten waar ze zit. Ik kijk over haar heen, mijn neus drukkend tegen het raam om zeker te weten wat ik zie. Donkerbruin, oranje, rood, ogen die me lijken aan te kijken. Een dagpauwoog. 

Een nieuw begin. Ze zit. Vleugels tegen elkaar, hoog omhoog en haar voelsprieten zoekend naar haar grenzen, waar ze zit op het kozijn, waar ze is en waar het raam zit. Ze neemt haar tijd. Of ze is de weg kwijt, verward? Of ze vindt het fijn om dichtbij het raam, bij mij, te zitten. 

Ik heb geen haast. Ik verbaas me wederom om de zachtheid en het vertrouwen om zo dichtbij mij te komen. Of het nu bewust is of niet wetend waar ze anders even kan zitten, ik ben blij dat ze me haar schoonheid laat zien. 

Eerder op de dag, in de ochtend, was er een koolmeesje. Druk en vliegend tegen mijn raam aan met de snavel pikkend. ´Kijk, ik ben hier, zie mij!´ Alsof die wilde vertellen, het voer is op en ik heb honger en jij bent degene die voor voer zorgt. Oké, wat jij wil. Ik heb nog liggen, ik hang het erbij. Ik hoor en zie je, ik luister naar je en ja ik heb voer voor je. Maar ja, het wordt lente, je kan en mag weer voor je eigen voer gaan zorgen. Maar hoe doe ik dat, hoe doen zij dat, als ze de afgelopen maanden afhankelijk zijn geworden van het voer dat ik ze geef? 

Geduld, leven met een ritme van langzaamaan. Er is eten. Het is even zoeken en toch is het er. Ik kan geven, ja, dat doe ik. Ja, er is voer. 

Het lieveheersbeestje dat er opeens is, aan de binnenkant van het raam, op mijn vensterbank. Stilzittend, niet bewegend. Ik gun haar de vrijheid. Niet het raam waar ze niet doorheen kan vliegen. Ik probeer haar op te pakken. Mijn vingers te onhandig voor haar fragile lijf. Uit angst slaat ze haar doorzichtige vleugels uit, maar ze vliegt niet weg. Binnen of buiten? Ze heeft een weg naar binnen gevonden, maar buiten zijn de groene blaadjes om van te eten. Ik pak je voorzichtig op en ik zet je buiten neer op die ene groene struik met blaadjes waar je volgens mij van houdt. Ik zie je en ik doe ook maar wat. Binnen kan het niet zijn wat je zoekt. Ik gun je het buitenleven. De ruimte en zoektocht naar al wat je mag ontdekken. 

De hommel hommelt, buzzt die, zoemt ie? Hij had een weg naar binnen gevonden ondanks dichte deur en horren voor de ramen die open stonden. Intens geluid maakte hij, even was hij stil en dan begon hij weer. Het duurde wat voordat ik hem spotte tegen het hoge plafond aan. Ietwat onzeker hoe ik hem naar buiten kon krijgen, zonder dat hij boos zou worden. Deur wagenwijd open met het risico dat er anderen binnen komen. Hij vond zijn weg snel.

Alsof ik soms communiceer met de dieren. Het klinkt raar. Ik ben bij zinnen. Ik weet dat ik raar klink en toch lijkt het soms alsof ik een communicatielijn met ze heb. Het is Henk, de duif. In de ochtend, roe-koe-koe. Sjokkend op de houten verandabalk boven mij, op mij neerkijkend en toch even gedag komen zeggen. Koolmeesjes, pimpelmeesjes, mussen, roodborstjes, vinken en nog een nader te identificeren iets-bruinere-gespikkelde-vogel-groter-dan-een-mus. Ze zijn er allemaal. 

Met de vroege ochtendzon start het fluiten en tsjirpen al rond half zes. Als ik even ga zitten om het allemaal te aanschouwen komen ze allemaal voorbij. Of het dezelfde vogels zijn, elke dag? Geen idee. Ze zijn er. Ik kijk er graag naar.  

wat ik zag

Fier zittend.
Gestrekte benen
over elkaar gelegen.

Spiedend zoekend.
Halfgesloten oogleden,
missend medeleven.

Stug pratend.
Tomeloze klanken,
verwaarloosd bedanken.

Misleidend kijken.
Verkrampte handen,
opgehoopte misverstanden.

Halsreikend hopend.
Terneergeslagen knieën,
verloren ideologieën.

– 2014 CF

Ook deze woorden van toen, herken ik nu. Ook al kijk en beleef ik de wereld niet meer op deze manier. Het was ooit wel wat ik zag.

Het brengt me terug naar een moment in de trein en dat ik mensen zag en me afvroeg: hoe gaat het met die persoon? Wat voelt hij? Hoe kijkt zij? In welke wereld leven zij? Hebben ze plezier? Is het de lach die ik zie, of het verdriet dat is verborgen?

Aan de buitenkant is niet te zien wat er van binnen gebeurt. De mens, ik, kunnen geoefend raken in de buiten- en binnenkant van elkaar te scheiden. Het voelt beschermend om niet iedereen toe te laten aan de binnenkant. Het voelt als een controle. Als het zichtbaar is, ben ik kwetsbaar. Iemand anders kan mijn kwetsen en dat wil ik niet, dus bescherm ik.

De buitenkant is zichtbaar en onontkoombaar voor iedereen die kijkt.

Door de binnenkant te beschermen, voor mezelf te houden, is er ook geen ruimte om te kunnen verbinden met de omgeving. Het doet namelijk ook iets als de binnenkant wel zichtbaar wordt aan de buitenkant. Herkenning, nog meer liefde om te geven en te ontvangen. Het heeft voor mij te maken met het oefenen, aftasten en vertrouwen opbouwen. Vertrouwen in mezelf, vertrouwen op anderen.

Ik heb vandaag weer een leuke hond mogen aaien. Die had prachtige bruine ogen en keek me recht aan. Ik zag geduld en nieuwsgierigheid in zijn ogen of was het de weerspiegeling? Het is een oefening.