lichtbundel

In de vroege zondagochtend zonnestraal sta ik stil in een lichtbundel.

De zonnestraal schijnt net boven de voordeur en badkamerdeur door en vol in mijn ogen als ik onderweg ben van de waterkoker naar de bank met een kop groene thee in mijn handen.

Mijn voordeur staat open voor wat frisse lucht, zodat de temperatuur kan dalen voor de warmte die de dag zal brengen. De badkamerdeur staat ook open en beschermt me tegen iedereen die langs loopt, fiets of rijdt en bij me naar binnen wil kijken.

In de paar stappen tussen het keukenblad en bank zie en voel ik de straal van de zon recht in mijn ogen schijnen. Ik loop door om vervolgens weer de paar passen terug te zetten om die exacte plek op te zoeken.

Het licht laadt me op en het verblindt me. De verandering van de straal is waar te nemen in de seconden dat ik stil sta. Het ene moment is het er en het andere moment niet. De kier van de deur blijft gelijk, de straal verandert van richting door de zon en haar stralen die groeien en zich verplaatsen. Ik draai mijn gezicht een paar centimeter en de straal is weer terug in mijn ogen.

De wisselingen duren voort totdat ik mijn hoofd kan draaien en bewegen wat ik wil, maar de straal is buiten mijn bereik mits ik mijn hele lijf verplaats. Het is een subtiel en tevens volledig moment in tijd. Het is er en dan weer niet. Het is er, alleen niet (altijd) zichtbaar en waarneembaar.

Het is een bijna niet opvallende verschuiving. Het kan net zo snel verschijnen als verdwijnen. Het ene moment is het er en dan niet meer. Het is niet weg voor altijd, maar verder weg? Of nog wel daar maar dus niet voelbaar?

Het deed me ook terug denken aan een moment op de fiets. Ik voelde me op een dag best wel oké. De zon, frisse wind, groenere bladeren en het leek allemaal even niet zo ingewikkeld als dat het soms wel kan voelen. Het was even met mij. Vervolgens nog geen 200 meter verder en het was niet meer met mij. Het viel me op. Het verschil was merkbaar. Ik hoefde het niet meteen terug, ik wilde het niet meteen weer voelen. Ook niet de behoefte om ‘het’ te benoemen. De vraag die bleef hangen was: wat maakt de verandering? Wat maakt dat het ene moment er iets wel is en het andere niet? Niet wat het is, maar de opmerkzaamheid van een verschuiving? Niet gevoelloos en constant op een automatische piloot fietsen of doorlopen of leven?

Het golft constant. Het is de stroming, beweging. Het staat niet stil. Het kan niet constant daar zijn, voelbaar zijn. Het onderscheid is nodig om het te laten opvallen. Klink ik alsof ik met deze woorden niet tot een kern kom? Ja, klopt, dat merk ik ook.

Ik kijk naar rechts uit mijn raam en ik zie op de rieten stoel voor mijn raam een roodborstje. Op d’r gemak, rondkijkend, mij aankijkend. Mijn ogen kijken even naar het computerscherm en weer even terug naar buiten. Ze (hij) is er nog steeds. Ik vraag me vervolgens af of het een hij of zij is, waar is het verschil zichtbaar?

Maakt het uit?

Plaats een reactie