ergens

Ik begin weer ergens. Ergens in de natuur waar ik vanochtend fietste. Een prachtige ochtend.

Bij het opstaan was meteen duidelijk dat treuzelen zou zorgen voor minder minuten in de zon om te fietsen. Dus gestaag en toch kalm voor mijn doen, zette ik mijn eerste kopje thee (lemon-ginger), stak ik mijn kaarsje aan, deed ik mijn warme sokken aan en begon ik de eerste zinnen op papier op te schrijven. Na een half uur werd het tijd voor het eerste kopje koffie en het oplossen van een woordzoeker. Daarna was het huppakee: bed opmaken, omkleden, gezicht wassen en tandenpoetsen. Tas inpakken, sleutel zoeken, fiets uit schuurtje halen, foto maken van mijn huisje met tulpen in de zon, hek openen en vervolgens zat ik op mijn zadel. Onderweg naar die plek waar ik wellicht de edelherten van een afstandje zou kunnen bewonderen.

De bladeren worden elke dag steeds meer zichtbaar aan de bomen. Wat woon ik op een fijne plek. Vijf minuten fietsen en het is groen, groener en nog meer groen om me heen. Het is vroeg en ik kom een enkele wandelaar met hond tegen. Verder geen fietser en weinig tot geen auto’s. Ook geen edelherten vandaag, wel een ooievaar die zeer rustig en kalm op nog geen 20 meter afstand van mij in het weiland op zoek is naar eten. Ik zoek in de omgeving naar een ooievaarsnest en ook die spot ik.

De wind is fris. Heerlijk vind ik dat. Ik neem de gebruikelijke afslagen. Ik zie bomen met bladeren die ik van de week heb gemist. Even hobbelen over die vervelende weg met kinderkopjes en dan even checken hoe ver de verbouwing van dat ene huis is. Nieuwe kozijnen zijn geplaatst zie ik. Ik besluit rechtdoor te gaan in plaats van linksaf en ik denk weer: wat woon ik op een fijne plek. Wat een vrijheid. Voor mij is dit vrijheid.

Ik kom uit bij een weg waar ik verschillende opties heb. Elke weg leidt ergens toe. Het maakt in essentie niet uit welke weg ik fiets, loop of leef. Ik kom wel ergens uit. Dat is namelijk reeds bewezen in het verleden.

Vandaag kies ik het slingerpad. Ik kom niemand tegen, behalve de grazende koeien, de schapen en hun lammetjes. Ergens mis ik toch de gewenste afslag. Tien minuten verder herken ik een weg. Ik besluit alsnog de weg te vinden die ik wilde fietsen. Ik ben op zoek naar dat ene bankje. Als de zon schijnt, is rond 10u de tijd om er op te zitten. Ik heb geluk. Ik vind het bankje en de zon. Er is verder niemand en ik ga in de zon zitten te zitten. Heerlijk. De enkele fietser en wandelaar die voorbijkomt, zeggen allemaal hetzelfde tegen mij: genieten hè?! Ja, genieten.

En zoals het leven (en het weer) dan gaat , komen er wat wolken en besluit ik weer richting huis te fietsen. Nog even langs de supermarkt voor vers brood bij mijn kaas.

Bij thuiskomst is de zon minder fel, de vogels tjilpen en ik fluister: dankjewel.

door het raam

Een nieuw seizoen. Groei is voelbaar. De knoppen in de bomen worden elke dag iets meer zichtbaar. Er zijn andere fluitconcerten hoorbaar in de vroege ochtenden.

Gisterochtend zat er een lieveheersbeestje binnen. Binnengekropen door de kieren van mijn raam. Ik wil ze zoveel mogelijk redden. Maar mijn onhandige vingers en hun fragile lijf zijn soms een kwetsbare combinatie. Meestal lukt het me wel, om ze heelhuids op te tillen en buiten op het groene gras weer neer te zetten.
Gisteren, in de palm van de hand, zat het kleine beestje met rode schild en zwarte stippen geduldig te wachten op zijn nieuwe plek. Ik stapte naar buiten en op het moment dat ik wilde bukken naar het gras, spreidde het de vleugels en vloog ie omhoog. Vrij. Zo weg.

Vanochtend zag ik een roodborstje voor het raam. Een paar dagen gemist om naar te kijken, te bewonderen. Wel onderweg gezien, al fietsend voor mijn neus verschenen. Op paden en de takken van de bomen. Niet te missen, altijd mijn gezichtsveld vindend. Het is de natuur. Het hoort erbij. Het seizoen wisselt, ze vinden hun plek elders. Om te verdwijnen.
Deze ochtend, bijna elke keer dat ik uit het raam keek, zat ie daar weer. Onder de voedselbol op de stenen grond, te pikken naar voedsel dat is gevallen. Het eten dat niet is gegeten door de pimpelmees, mus, koolmees, staartmees, duif of zelfs de spreeuw die af en toe verschijnt. Daar zit het roodborstje dan, met wonderbaarlijk ook die luidkeels zingende vink naast d’r, voor mijn raam. Elke keer als ik even kijk, zoek ik en vind ik.


in de regen
in de schemer
van een avond
en de ochtenden
kijken de vogels
door het raam
van hun buiten

naar mijn binnen
zien een huisje
als ons thuis