wat ik zie

De vlinder, zachtjes vliegend en stotend tegen het raam. Ze blijft fladderen, mijn aandacht zoekend. Ik mag dichterbij komen. Ik sta voorzichtig op en bestudeer haar vleugels. Ze blijft zitten waar ze zit. Ik kijk over haar heen, mijn neus drukkend tegen het raam om zeker te weten wat ik zie. Donkerbruin, oranje, rood, ogen die me lijken aan te kijken. Een dagpauwoog. 

Een nieuw begin. Ze zit. Vleugels tegen elkaar, hoog omhoog en haar voelsprieten zoekend naar haar grenzen, waar ze zit op het kozijn, waar ze is en waar het raam zit. Ze neemt haar tijd. Of ze is de weg kwijt, verward? Of ze vindt het fijn om dichtbij het raam, bij mij, te zitten. 

Ik heb geen haast. Ik verbaas me wederom om de zachtheid en het vertrouwen om zo dichtbij mij te komen. Of het nu bewust is of niet wetend waar ze anders even kan zitten, ik ben blij dat ze me haar schoonheid laat zien. 

Eerder op de dag, in de ochtend, was er een koolmeesje. Druk en vliegend tegen mijn raam aan met de snavel pikkend. ´Kijk, ik ben hier, zie mij!´ Alsof die wilde vertellen, het voer is op en ik heb honger en jij bent degene die voor voer zorgt. Oké, wat jij wil. Ik heb nog liggen, ik hang het erbij. Ik hoor en zie je, ik luister naar je en ja ik heb voer voor je. Maar ja, het wordt lente, je kan en mag weer voor je eigen voer gaan zorgen. Maar hoe doe ik dat, hoe doen zij dat, als ze de afgelopen maanden afhankelijk zijn geworden van het voer dat ik ze geef? 

Geduld, leven met een ritme van langzaamaan. Er is eten. Het is even zoeken en toch is het er. Ik kan geven, ja, dat doe ik. Ja, er is voer. 

Het lieveheersbeestje dat er opeens is, aan de binnenkant van het raam, op mijn vensterbank. Stilzittend, niet bewegend. Ik gun haar de vrijheid. Niet het raam waar ze niet doorheen kan vliegen. Ik probeer haar op te pakken. Mijn vingers te onhandig voor haar fragile lijf. Uit angst slaat ze haar doorzichtige vleugels uit, maar ze vliegt niet weg. Binnen of buiten? Ze heeft een weg naar binnen gevonden, maar buiten zijn de groene blaadjes om van te eten. Ik pak je voorzichtig op en ik zet je buiten neer op die ene groene struik met blaadjes waar je volgens mij van houdt. Ik zie je en ik doe ook maar wat. Binnen kan het niet zijn wat je zoekt. Ik gun je het buitenleven. De ruimte en zoektocht naar al wat je mag ontdekken. 

De hommel hommelt, buzzt die, zoemt ie? Hij had een weg naar binnen gevonden ondanks dichte deur en horren voor de ramen die open stonden. Intens geluid maakte hij, even was hij stil en dan begon hij weer. Het duurde wat voordat ik hem spotte tegen het hoge plafond aan. Ietwat onzeker hoe ik hem naar buiten kon krijgen, zonder dat hij boos zou worden. Deur wagenwijd open met het risico dat er anderen binnen komen. Hij vond zijn weg snel.

Alsof ik soms communiceer met de dieren. Het klinkt raar. Ik ben bij zinnen. Ik weet dat ik raar klink en toch lijkt het soms alsof ik een communicatielijn met ze heb. Het is Henk, de duif. In de ochtend, roe-koe-koe. Sjokkend op de houten verandabalk boven mij, op mij neerkijkend en toch even gedag komen zeggen. Koolmeesjes, pimpelmeesjes, mussen, roodborstjes, vinken en nog een nader te identificeren iets-bruinere-gespikkelde-vogel-groter-dan-een-mus. Ze zijn er allemaal. 

Met de vroege ochtendzon start het fluiten en tsjirpen al rond half zes. Als ik even ga zitten om het allemaal te aanschouwen komen ze allemaal voorbij. Of het dezelfde vogels zijn, elke dag? Geen idee. Ze zijn er. Ik kijk er graag naar.