Soms is het alsof ik met mijn ogen wagenwijd open op zoek ben naar het licht in de duisternis. Met mijn handen tast ik de muren af naar de lichtknop. Ik weet honderd procent zeker dat de lichtknop op die ene plek zit en ik kan de schakelaar maar niet vinden. Het licht wat er is, is van mijn ogen die zo goed en kwaad als het kunnen, wennen aan de schemer.
Of ik vind de lichtknop wel en de lamp gaat niet aan. De lamp is kapot. Er is niet genoeg licht om een nieuwe lamp te vinden. Zelfs een stoel is buiten bereik om op te gaan staan en om te controleren of het peertje wel genoeg is aangedraaid.
Of ik vind de lichtschakelaar, de lamp gaat aan en het licht is te fel. Het maakt teveel zichtbaar. Het is teveel ineens.
Of de zon. De zon schijnt in haar volle glorie. Het is fijn, het is warm. Elk stofdeeltje in mijn huis is opeens zichtbaar. De ene keer ga ik rigoureus schoonmaken, de andere keer ga ik met mijn kop thee en boek in de zon zitten.
Soms is de nacht lang en ben ik buiten. De heldere maan of enkele sterren of een lantaarnpaal helpen om de omgeving te verlichten. De lichtbronnen zijn reeds aangezet en ik hoef alleen de richting van het licht te volgen en/of even middenin de beschikbare lichtstraal te gaan staan.
Soms is de duisternis troostend en veilig. Niemand die ik zie, niemand die mij kan zien.
Soms maakt de duisternis me angstig en alleen. Geen teken van leven, weinig licht of hoop.
Soms voelt het volle licht zacht en verwarmend. Ik geniet van al het moois wat het licht me brengt.
Soms maakt het volle licht te veel zichtbaar. Geen plek om te schuilen en dan sta ik daar in die volle straal en krijg ik rode wangen.

Soms vind ik de lichtknop of de zon of de maan en de sterren en is het precies de fijne warme straal die ik wil. De straal biedt ruimte om het donkere gedeelte nog even op afstand te houden of genoeg licht om eerst op zoek te gaan naar een zaklamp.
Of soms steek ik zelf het kaarsje aan in de duisternis, omdat ik de lucifers op zak heb.