Mijn ochtenden beginnen vroeg. Als het nog donker is. Het voelt kalm en stil. Het voelt alsof in het donker van de morgen nog niets is vastgelegd voor de dag.
Ik sta op uit mijn bed. Ik doe het minst felle lampje aan onder de afzuigkap, zet de waterkoker aan (die ik de avond daarvoor al heb gevuld), ga naar het toilet. Ik ruil mijn lichtblauwe pyjamabroek met hartjes om voor een warmere, dikkere en zwarte joggingbroek. Ik trek een blauwe trui met v-hals aan, sokken voor mijn tenen (die al aan het afkoelen zijn) en een sjaal om mijn nek. Ik schenk het gekookte water in mijn mok en hang het groene zakje thee erin. Tijdens het trekken van mijn thee open ik mijn gordijn een klein stukje en steek ik een kaarsje aan.

Met mijn kop thee in de hand ga ik op mijn gele bank zitten. Mijn blik wisselend tussen het brandende kaarsje en de ruimte onder het gordijn. Gedachten dwalen af naar mensen in mijn omgeving die wellicht wat licht en warmte kunnen gebruiken. Ik denk aan de naam en zie hun gezicht. Sommige namen komen elke keer terug, soms is het een nieuw gezicht.
De geur van de kaars die ik brand is subtiel. Het is bijna niet te ruiken als je er niet naar zoekt.
Met het opkomende licht van buiten en mijn kop thee zonder thee kom ik langzaam in actie. Nog een keer de waterkoker aan, het bed opmaken en even op mijn telefoon een spelletje spelen. Als ik het niet elke dag speel, raak ik mijn continuïteit en spelbonussen van de dag kwijt. Ik begin dan weer op nul. Momenteel zit ik op level 1264.
Soms is het vervolg de televisie aan zetten, soms trek ik mijn wandelschoenen aan en soms ga ik schrijven. Als het lukt, geef ik me over aan de waan van de dag.